De Hoge Raad en de vergoedingsrechten (deel 2) - Venlex Advocaten Venlo | Strafrecht, huurrecht, civielrecht, schuldsanering
16411
post-template-default,single,single-post,postid-16411,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,vertical_menu_enabled,side_area_uncovered_from_content,qode-theme-ver-9.4.2,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive
 

De Hoge Raad en de vergoedingsrechten (deel 2)

De Hoge Raad en de vergoedingsrechten (deel 2)

In mijn vorige artikel heb ik uitleg gegeven over het standpunt van de Hoge Raad in het geval van vergoedingsrechten bij gehuwden. In dit artikel wil ik ingaan op de situatie van vergoedingsrechten bij ongehuwd samenwoners (zonder samenlevingsovereenkomst). Daarvoor is de casus iets aangepast.

Stel u bent niet getrouwd maar woont samen zonder samenlevingsovereenkomst. Tijdens de relatie ontvangt u van een tante een erfenis van € 50.000,00. De erfenis wordt op uw rekening gestort. Uw partner heeft een eigen woning en u besluit om het bedrag van € 50.000,00 te investeren in een aanzienlijke verbouwing. Na de verbouwing is het huis op orde maar na een paar jaar is uw relatie een bouwput en u besluit de relatie te verbreken. U wil uw € 50.000,00 terug. U stelt: Het is mijn geld en ik wil het terug. Uw ex-partner stelt, dat het geld op is en dat u kunt fluiten naar uw geld.

Twee mogelijke uitkomsten

Anders dan bij gehuwden waarin het recht op een vergoedingsrecht expliciet in de wet geregeld is, is dat bij ongehuwd samenwoners niet het geval. Toch kan ook hier de redenering worden gevolgd dat er recht bestaat op vergoeding van wat de ene partner heeft geïnvesteerd in het vermogen van de ander.

Er zijn echter ook rechters die stellen dat wat eenmaal opgemaakt is, niet hoeft te worden terugbetaald omdat een wettelijke bepaling daartoe immers ontbreekt.

Wie heeft er nu gelijk?

De Hoge Raad geeft eindelijk duidelijkheid

Daarom is een vergelijkbare zaak zoals hiervoor omschreven, aan de Hoge Raad voorgelegd om voor eens en voor altijd duidelijkheid te geven.

Op 10 mei 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan. Daarbij oordeelt de Hoge Raad als volgt:

De Hoge Raad stelt voorop dat er inderdaad geen wettelijke bepaling is voor ongehuwd samenwoners waarop rechtstreeks een vergoedingsrecht kan worden gebaseerd. Het artikel voor gehuwden is niet analoog van toepassing op mensen die niet getrouwd zijn.

De Hoge Raad stelt daarom dat mogelijk op grond van andere uitgangspunten bekeken moet worden of er een recht bestaat op terugbetaling van hetgeen de betreffende ex-partner in de woning van de ander heeft geïnvesteerd. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat die ex-partner door door de investering van de ander ongerechtvaardigd is verrijkt.

Daarvoor is onvoldoende dat wordt gesteld dat de betreffende ex-partner geldt heeft geïnvesteerd. Er moeten bijkomende omstandigheden zijn die maken dat de ex-partner met de woning die investering dient terug te betalen.

De Hoge Raad overweegt daarom dat tussen samenwoners de bijzondere omstandigheden van het geval wel kunnen meebrengen dat op basis van de redelijkheid en billijkheid een recht bestaat op vergoeding van het vermogen dat aan het vermogen van de ene partners is onttrokken ten gunste van de andere ex-partner.

Met andere woorden: er bestaat geen automatisch vergoedingsrecht dat altijd geldt (zoals bij gehuwden) maar afhankelijk van de omstandigheden van het geval en rekening houdende met de redelijkheid en billijkheid kan wel een dergelijk vergoedingsrecht worden aangenomen.

Deze uitspraak leert dat – anders dan bij gehuwden – het zaak is dat duidelijke (schriftelijke) afspraken gemaakt worden indien tijdens een relatie (grote) geldbedragen worden geïnvesteerd in het vermogen van de ander. In deze afspraken kan worden vastgelegd of en zo ja voor welk bedrag er een terugbetalingsverplichting bestaat. Dat kan in een samenlevingsovereenkomst, maar ook in onderlinge afspraken. Het advies is daarbij die afspraken wel op papier te zetten en door beide te laten ondertekenen. Dat voorkomt mogelijk procedures in de toekomst.