De Hoge Raad en de vergoedingsrechten (deel 1) - Venlex Advocaten Venlo | Strafrecht, huurrecht, civielrecht, schuldsanering
16409
post-template-default,single,single-post,postid-16409,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,vertical_menu_enabled,side_area_uncovered_from_content,qode-theme-ver-9.4.2,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive
 

De Hoge Raad en de vergoedingsrechten (deel 1)

De Hoge Raad en de vergoedingsrechten (deel 1)

Stel u bent getrouwd in gemeenschap van goederen. Tijdens het huwelijk ontvangt u van een tante een erfenis van € 50.000,00. In haar testament heeft die tante echter wel bepaald dat de erfenis niet in de gemeenschap van goederen valt. De erfenis wordt op de gezamenlijke rekening gestort en u besluit er met uw echtgenoot/echtgenote een wereldreis van te gaan maken. Na een wereldreis is niet alleen het geld op, maar is ook het huwelijk op de klippen gelopen. Bij de scheiding wilt u het bedrag van € 50.000,00 terug ontvangen. Het was immers een schenking alleen aan u. Uw echtgenoot c.q. echtgenote stelt zich op het standpunt, op is op. Wie heeft er gelijk?

Twee mogelijke uitkomsten

De afgelopen jaren zijn er in de rechtspraak twee mogelijke oplossingen voor voormeld probleem verzonnen. Sommige rechters oordeelden dat het privégeld dat tijdens het huwelijk was opgemaakt (bijvoorbeeld aan een vakantie of aan de kosten voor een verbouwing of de huishouding) niet hoefde te worden teruggegeven. Er bestond volgens deze rechters geen vergoedingsrecht (het recht om privégeld dat opgegaan was aan gezamenlijke uitgaven terug te krijgen). Op is op. Al kon het nog wel uitmaken waaraan het geld was opgemaakt of er al dan niet een vergoedingsrecht bestond.

Andere rechters oordeelden dat het niet uitmaakte waaraan het geld dat aan één van de echtgenoten in privé toebehoorde was opgemaakt. Op het moment dat het geld in de gemeenschap van goederen was gevallen, bestond er een verplichting om vanuit de gemeenschap van goederen dat geld weer terug te geven aan de betreffende echtgenoot ongeacht of het geld nog aanwezig was, of misschien zelfs al was uitgegeven.

Omdat rechters dus verschillend oordeelden over hetzelfde probleem, kon het dus voor de uitkomst erg uitmaken waar je woonde. Dat is natuurlijk in het kader van de rechtseenheid en rechtsgelijkheid geen goede situatie.

De Hoge Raad geeft  eindelijk duidelijkheid

Daarom is een vergelijkbare zaak zoals hiervoor omschreven, aan de Hoge Raad voorgelegd om voor eens en voor altijd duidelijkheid te geven.

Op 5 april 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan. Daarbij oordeelt de Hoge Raad als volgt:

Op het moment dat een echtgenoot met geld dat aan hem of haar privé toebehoort uitgaven doet voor de gemeenschap van goederen (zogeheten gemeenschapsschulden) dan ontstaat daardoor een vergoedingsrecht. Tijdens het huwelijk uit het gemeenschappelijk vermogen betaalde schulden worden vermoed gemeenschapsschulden te zijn. Hieronder vallen ook uitgaven aan consumptieve bestedingen (bijvoorbeeld een vakantie). Als privévermogen van een echtgenoot in de gemeenschap van goederen terecht komt, heeft die echtgenoot recht op een vergoeding van dit bedrag. Dat het geld door vermenging tot de gemeenschap van goederen is gaan behoren en daarmee vervolgens consumptieve uitgaven worden gedaan, tast volgens de Hoge Raad dat vergoedingsrecht niet aan.

De Hoge Raad oordeelt dus dat het standpunt “op is op” niet opgaat. Een vergoedingsrecht gaat niet verloren doordat kosten van de huishouding of consumptieve aankopen worden betaald.

De Hoge Raad geeft wel aan dat het mogelijk is dat de andere echtgenoot stelt en bewijst dat het vergoedingsrecht niet of niet geheel geldend kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er van gemeenschapsvermogen privéschulden van die andere echtgenoot betaald zijn. Maar zoals reeds opgemerkt, is het betalen van bijvoorbeeld een gezamenlijke vakantie, geen grond voor matiging van het vergoedingsrecht.

In de casus uit de inleiding heeft u dus gelijk en krijgt u uw € 50.000,00 uit de gemeenschap van goederen terug. Is de gemeenschap van goederen niet toereikend om dat bedrag te betalen, dan ontstaat er een vordering op de andere echtgenoot voor de helft van dit bedrag. De andere helft heb je immers zelf opgemaakt aan de eigen vakantie.